Wat staat gemeenten te wachten na de inwerkingtreding van de nieuwe Wet natuurbescherming?

Volgens de laatste berichten treedt de nieuwe Wet natuurbescherming per 1 maart 2016 in werking. In deze nieuwe wet zullen een aantal bestaande wetten opgaan, namelijk de huidige Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw), Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet. De VNG heeft onderzoek laten uitvoeren[1] naar de huidige natuurwetgeving en de nieuwe Wet natuurbescherming en heeft gekeken wat dit betekent voor gemeenten. Naast positieve en interessante uitkomsten levert dit onderzoek ook zorgwekkende resultaten op.

Huidige natuurwetgeving in een notendop
Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in 2010 is de rol van gemeenten in het natuurbeschermingsrecht groter geworden. Initiatiefnemers die zowel een omgevingsvergunning als een Nbw-vergunning of Ffw-ontheffing nodig hebben, kunnen deze gezamenlijk aanvragen. De Nbw-vergunning of Ffw-ontheffing haakt in dat geval aan bij de omgevingsvergunning waarvoor de gemeente bevoegd gezag is. De praktijk laat zien dat initiatiefnemers er vaak voor kiezen om rechtstreeks naar de bevoegde instantie toe te gaan, om daar de Nbw-vergunning of Ffw-ontheffing aan te vragen. Ook zijn gemeenten nu al verantwoordelijk voor het toetsen van binnenkomende aanvragen op volledigheid. Gemeenten hebben hierbij een inspanningsplicht en een informatieplicht. In een artikel van Alterra uit 2014[2] staat dat niet alle gemeenten klaar zijn voor deze nieuwe taak door een gebrek aan capaciteit en kennis. Het onderzoek dat de VNG in 2015 liet uitvoeren laat zien dat er nog geen verbetering heeft plaatsgevonden.

Uitvoeringsgevolgen inwerkingtreding nieuwe Wet natuurbescherming
Voortaan wordt aanhaken verplicht met de nieuwe Wet natuurbescherming (Artikel 10.8 Wet natuurbescherming). Is een activiteit niet omgevingsvergunning-plichtig, dan kan uiteraard wel afzonderlijk een Nbw-vergunning of Ffw-ontheffing worden aangevraagd. In dat geval is de provincie het bevoegd gezag.

Door deze wijziging moeten gemeenten straks alle binnenkomende omgevingsaanvragen in behandeling nemen. Het aanvragen van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) door de gemeente om instemming te krijgen van een ander bestuursorgaan voor het verlenen van de omgevingsvergunning, blijft ongewijzigd in de nieuwe Wet natuurbescherming. Omdat de aanvragen bij de gemeenten binnenkomen, moeten zij deze zelf kunnen toetsen op volledigheid. De VNG geeft aan dat deze kennis op dit moment voornamelijk bij de provincie en het Rijk ligt. Zowel de VNG als een aantal ondervraagde gemeenten verwachten problemen op dit punt met de ingang van de nieuwe Wet natuurbescherming.

Wijzigingen in de uitvoeringspraktijk met de nieuwe Wet natuurbescherming
In het onderzoek dat de VNG heeft laten uitvoeren, is gekeken naar de nieuwe en gewijzigde taken die gemeenten krijgen door de nieuwe Wet natuurbescherming. In het onderzoek concludeert Meeuwissen dat de wet de volgende voornaamste nieuwe en gewijzigde taken met zich meebrengt:

  • Toezicht en handhaving komt met de nieuwe Wet natuurbescherming bij het bevoegd gezag te liggen. Gaat het om een omgevingsvergunning-plichtige activiteit waarvoor een ‘’omgevingsvergunning natuur’’ is verleend of verleend had moeten worden, dan is de gemeente het bevoegd gezag en daarmee gebonden aan deze taak;
  • Het vastleggen van specifieke ruimtelijke aspecten (zoals natuur) in structuurvisies blijft ongewijzigd. De nieuwe wet heeft wel als aanvulling op de huidige natuurwetgeving, dat gemeenten bij het opstellen van een structuurvisie ook rekening moeten gaan houden met de nationale natuurvisie (Artikel 1.5 Wet natuurbescherming). De uiteindelijk opgestelde natuurvisie is leidend voor de structuurvisie van gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen;
  • Een aanzienlijke verandering met de komst van de Wet natuurbescherming is dat een aantal soorten die onder de huidige Ffw beschermd zijn, niet terugkomen in de nieuwe wet. Dit betreft een groot aantal nationaal beschermde soorten, die niet beschermd zijn op basis van de Vogel- of Habitatrichtlijn. Daar tegenover staat dat voor een aantal soorten, die niet beschermd waren op basis van de Ffw, besloten is dat zij een betere bescherming zullen krijgen dan de huidige algemene zorgplicht;
  • De aanwijzing van beschermde natuurmonumenten komt in de nieuwe wet te vervallen, evenals de doelstellingen die al geformuleerd zijn voor bestaande beschermde natuurmonumenten;
  • In de nieuwe wet vindt ten aanzien van de beheerplannen ook een wijziging plaats. Gemeenten moeten er rekening mee houden dat de doorwerking van beheerplannen in de nieuwe wet verder wordt versterkt. Gemeenten zijn, evenals andere overheden, met ingang van de nieuwe wetgeving verplicht om maatregelen uit de beheerplannen die definitief zijn vastgesteld ook daadwerkelijk en tijdig te nemen;
  • Per 1 juli 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) definitief ingegaan, waarvan verdere doorwerking plaatsvindt in de nieuwe wet. Een gemeente krijgt met de PAS te maken wanneer een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de activiteit een hogere depositie van stikstof op een stikstofgevoelig habitat in een Natura 2000-gebied met zich meebrengt dan is toegestaan. De activiteiten die niet binnen het bestemmingsplan passen, worden onderworpen aan een passende beoordeling om te zien of de activiteiten in het kader van de PAS vergunning plichtig zijn;
  • De Wet natuurbescherming voorziet in de verankering van de verantwoordelijkheid van de provincies voor de totstandbrenging en instandhouding van de EHS ter realisatie van de internationale biodiversiteitverplichtingen. Gemeenten moeten hierover aanwijzingen van de provincie afwachten. De verwachting is dat hierin niet direct een taak belegd is voor gemeenten;
  • Met de huidige Boswet heeft de gemeente de bevoegdheid om ‘de bebouwde kom Boswet’ vast te stellen. Binnen deze ‘bebouwde kom’ bepalen gemeenten het beleid ten aanzien van bomen en houtopstanden. Deze bevoegdheid blijft de gemeente houden in de nieuwe wet. Buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ kunnen gemeenten geen bomen- of kapverordening vaststellen;
  • Zoals nu al gebeurd moeten initiatiefnemers ook na de invoering van de nieuwe wet bij een vergunningaanvraag ‘Handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten of gebieden’ aanvinken wanneer de uit te voeren werkzaamheden omgevingsvergunning-plichtig zijn. De initiatiefnemer heeft dan geen keuze meer uit twee, zoals dat in de huidige wetgeving wel is. Initiatiefnemers zijn in de nieuwe Wet natuurbescherming verplicht om in één keer een vergunning aan te vragen bij de betreffende gemeente. Het ‘aanhaken’ wordt hiermee een verplichting voor initiatiefnemers;
  • Op grond van de nieuwe wet gaat in de gedragscodes voor ruimtelijke ontwikkeling een wijziging plaatsvinden. Deze gedragscodes kunnen dan ook betrekking hebben op vogels en dier- of plantensoorten die zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn (in de huidige wetgeving maakt deze onderdeel uit van tabel III). Dit betekent voor gemeenten wanneer zij een project voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling uitvoeren, voor deze soorten geen ontheffing meer aangevraagd hoeft te worden indien zij werken met een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Overige regels blijven in de Wet natuurbescherming ook van toepassing.

Een blik op de toekomst
In het onderzoek dat de VNG heeft laten uitvoeren zijn uiteenlopende gemeenten onderzocht (opgedeeld in kleine, middelgrote en grote gemeenten). Het onderzoek heeft positieve en interessante uitkomsten opgeleverd maar een aantal resultaten geven ook aanleiding tot zorg. Grote gemeenten blijken redelijk goed tot goed voorbereid te zijn op de komst van de nieuwe Wet natuurbescherming. Bij hen is voldoende mankracht en kennis aanwezig op het vlak van natuur. In die gevallen worden geen grote problemen verwacht.

Bij een aanzienlijk aantal kleine en middelgrote gemeenten worden wel problemen verwacht op het moment dat de nieuwe wet wordt ingevoerd. Deze gemeenten kampen met te weinig capaciteit en het ontbreekt aan de nodige kennis. In die gevallen verwacht de VNG dat er door het departement onvoldoende rekening wordt gehouden met de uitvoeringsgevolgen van de wet en dat deze daardoor niet volledig en juist kan worden uitgevoerd. De nieuwe Wet natuurbescherming is een uitdaging, niet alleen voor gemeenten maar ook voor provincies en het Rijk.

[1] Meeuwissen, D., 2015. ‘Groen in de gemeente’, Gemeenten en de Wet natuurbescherming. Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

[2] Broekmeyer, M., & Sanders, M., 2014. Kunnen gemeenten de nieuwe taak uit de Wet natuurbescherming aan? Alterra Wageningen UR.


2 reactie op “Wat staat gemeenten te wachten na de inwerkingtreding van de nieuwe Wet natuurbescherming?

  1. Goedemorgen,
    Menig gemeente heeft nog geen idee wat er, bij het van kracht worden van de nieuwe Wet natuurbescherming op ze af komt laat staan hoe zij hiermee om moeten / kunnen gaan.
    Er is dus een hoop werk te doen.
    Als voorzitter van het platform natuur Overijsselse gemeenten (17 gemeenten in Overijssel) probeer ik instrumenten te ontwikkelen om de aangesloten gemeenten te helpen op tijd klaar te zijn voor de nieuwe Wet natuurbescherming.
    Elkaar helpen en met elkaar in gesprek komen kan helpen op tijd te zijn.
    Een zo pragmatisch en praktisch mogelijke benadering zowel in standaard formulieren als in te volgen procedures moet toch mogelijk zijn.
    Wij zullen dus de koppen bij elkaar moeten steken om op tijd klaar te zijn voor de nieuwe Wet Natuurbescherming, Wie helpt mij?

    Vriendelijke groeten,

    Arnold van der Staak

  2. Goed initiatief. Als raadslid van Hollands Kroon zijn wij bezig met de Omgevingsvisie.
    Als fractie Senioren Hollands Kroon zijn wij tegen het plaatse van windmolens in het Robbenoordbos.
    Hoe houden wij dit tegen. Wij hebben al zienswijzes ingediend.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *