Boswet moet worden aangepast. Maar hoe?

Door: Geert van Duinhoven, Communicatiebureau de Lynx

Na zestig jaar houdt het Bosschap op te bestaan. In dit artikel worden de effecten van het opheffen voor de juridische bescherming van bossen belicht. Door de wijziging in de Boswet, nodig omdat het Bosschap wordt opgeheven, ontstaat er een onbedoeld maar mogelijk ingrijpend neveneffect. Dat denkt althans mr. Kitty Goudzwaard van Cobra groenjuristen.

Het is een ingewikkeld verhaal. Omdat het kabinet heeft besloten dat de bedrijfschappen worden opgeheven, moet ook de Wet op de Bedrijfsorganisatie worden aangepast. Deze bedrijfschappen, waaronder ook het Bosschap, hebben een publiekrechtelijke status. De essentie van het Bosschap is dat – onder andere- bosbouwondernemingen bij het Bosschap zijn geregistreerd. Bosgrondeigenaren met in totaal meer dan 5 hectare bosgrond zijn verplicht geregistreerd. Dat kost een geregistreerde weliswaar geld, maar biedt ook voordelen. Een groot voordeel voor deze middel – tot grote (semi)professionals heeft te maken met het regelverbod van huidige artikel 15 lid 3 Boswet. Staan bomen van deze verplicht-geregistreerden namelijk in zelfstandige eenheden van meer dan 10 are of meer dan 20 bomen in rijbeplanting, dan mogen gemeenten en provincies voor deze houtopstanden geen kapverboden maken. Dit geldt dan alleen als deze houtopstanden staan buiten de ‘bebouwde kom Boswet’. Gemeenteraden vinden dit in veel gevallen moeilijk. En maken dan via een ‘omweg’ toch kapverboden en wel in hun bestemmingsplannen.

Regelverbod

De Boswet regelt de instandhouding van het areaal aan houtoptanden zoals bossen. Dat betekent dat kap van bepaalde houtopstanden moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag en in principe moet worden herplant. Bedrijven die aangesloten zijn bij het Bosschap worden geacht professioneel te werken en zich te houden aan de Boswet. Het was eigenlijk niet de bedoeling van de Boswet dat zij verder te maken kregen met regels of verordeningen van de lagere overheden. Of, zoals in de Memorie van Toelichting bij de Boswet staat: “Uit de parlementaire geschiedenis van de Boswet blijkt dat voor de bescherming van deze houtopstanden de bepalingen van de Boswet in combinatie met de publiekrechtelijke bevoegdheid van het Bosschap om regels te stellen voldoende werden geacht”.

De Wet opheffing bedrijfslichamen beoogt nu een aanpassing op de Boswet omdat de verplichte registratie met het Bosschap verdwijnt. Gemeenten en provincie mogen door deze –tussentijdse – aanpassing Boswet dan geen kapverboden meer maken voor – in beginsel – alle houtopstanden gelegen buiten de bebouwde kom Boswet. Behalve als het bomen zijn die staan in erven en tuinen, of op de percelen van minder dan 10 are of niet meer dan 20 bomen in rijbeplanting. De grotere percelen worden dan beschermd door de Boswet en daar zou provincie of gemeente dus verder geen bemoeienis mee hebben. Een bosbouwonderneming of bosgrondeigenaar heeft immers de meld- en herplantplicht en verder moet de samenleving er maar op vertrouwen dat deze bedrijven keurig hun werk doen. Ook zonder controle en regels van een Bosschap of gemeente.

Gemeenten de dupe

Dit sluit natuurlijk aan bij de ambitie van het kabinet om minder regels te stellen. Maar boomjurist mr. Kitty Goudzwaard van Cobra groenjuristen maakt zich toch zorgen over deze aanpassing in de Boswet. Ze stuurde staatssecretaris Dijksma onlangs een brief waarin ze uiteenzet wat een mogelijk onbedoeld neveneffect kan zijn van de aanpassing van de Boswet en het opheffen van het Bosschap. “Deze aanpassing van de Boswet door middel van het schrappen van de registratieverplichting zal voor decentrale overheden gevolgen hebben. Vooral gemeenten met een beperkt stedelijk gebied zullen, van een dergelijke wijziging van de betekenis van de bebouwde kom Boswet, de gevolgen ondervinden. Zij kunnen dan in een zeer groot en vaak groen buitengebied, geen enkel kapverbod meer maken voor houtopstanden gelegen buiten erven en tuinen en buiten de percelen tot 10 are of 20 bomen. Vooral gemeenten met een groot buitengebied met tot nu toe veel kleinere bosgrondeigenaren, met bijzondere boomstructuren of landschapselementen die staan op percelen groter dan 10 are of meer dan 20 bomen in rijen, worden hiervan de dupe. Kon de gemeenteraad tot nu toe voor deze houtopstanden een kapverbod maken; nu is dit uitgesloten. Daar komt nog eens bij dat gemeenteraden ook kapverboden maken voor de eigen gemeentebomen. Denk daarbij aan kapverboden voor gemeentelijke boomstructuren gelegen buiten de bebouwde kom Boswet met meer dan 20 bomen in een rij.

Regels maken of grenzen verleggen?

Volgens Goudzwaard kan het zijn dat gemeenteraden na de wijziging van de Boswet op zoek gaan naar mogelijkheden om deze houtopstanden toch onder kapverboden te brengen. Een keuze kan zijn dat gemeenteraden de bebouwde kom Boswet oprekken om zodoende het regelverbod van het nieuwe artikel 15 lid 3 Boswet te omzeilen. Gemeenten kunnen immers zelf bepalen waar de grens bebouwde kom Boswet ligt. In dat geval komt een veel groter deel van de gemeente onder de bebouwde kom Boswet. En daar mogen wel kapverboden gemaakt worden. Goudzwaard: “Er is een kans dat die gemeenten hun bebouwde komgrens Boswet zo ver mogelijk richting de buitengrens van hun grondgebied verschuiven. Binnen de bebouwde komgrens Boswet kunnen zij echter dan niet meer rekenen op regulering door middel van de meld- en herplantplicht van de Boswet. Daar zullen zij zelf moeten zorgen voor een gedegen regelgeving met een gemeentelijk kapverbod. Dit is weliswaar in strijd met de algehele wens tot deregulering, maar het is denk ik wel een mogelijkheid voor een gemeente om grip te houden op wat er in het buitengebied gebeurt.”

Administratieve rompslomp

De vraag is nu of de wetgever dit nog gaat repareren of dat gemeenten daadwerkelijk hun bebouwde kom Boswet-grenzen gaan aanpassen. In de praktijk is van dat laatste overigens grootschalig nog geen sprake. Goudzwaard: “Mogelijk kiest de wetgever er voor de bebouwde kom Boswet voortaan gelijk te stellen met de bebouwde kom Wegenwet of gelijk te stellen aan de afbakening van het stedelijk gebied. Hierdoor zal echter de autonome regelgevende bevoegdheid van gemeenteraden ernstig worden beperkt en dat zal de wetgever niet snel doen. Daarbij komt nog eens dat in het wetsvoorstel Wet Natuurbescherming gemeenten juist weer extra bevoegdheden krijgen voor kapverboden voor bepaalde houtopstanden die staan binnen de bebouwde kom Boswet. Als die kom voortaan slechts stedelijke bebouwing kent is dit dan slechts symboolwetgeving. Van de andere kant zullen gemeenten zich misschien ook wel realiseren dat als ze de grens bebouwde kom Boswet oprekken, ze zelf voor een gedegen regelgeving met een gemeentelijk kapverbod moeten gaan zorgen. Met alle administratieve rompslomp van dien. Welke kant het op gaat zal dan vooral afhankelijk zijn of een gemeenteraad grip wil krijgen op het buitengebied of dat ze de bedrijven vertrouwt en buiten de Boswet verder geen eigen regelgeving nodig acht.”


2 reactie op “Boswet moet worden aangepast. Maar hoe?

  1. Waarom schaffen wij de Boswet niet af en regelen het behoud van het bosareaal niet via de gebruiksregels in de gemeentelijke Bestemmingsplannen?
    En m.i. nog een doublure: een kapvergunning op basis van de APV en een omgevingsvergunning voor het verwijderen van dezelfde houtopstanden. Voor het gros van de burgers onbegrijpelijk.

  2. Bij dereguleren is het van belang ‘zin en onzinnige regelgeving’ van elkaar te scheiden en de verschillende doelen uit ‘oude regelgevingen’ naar de nieuwe tijd te herijken.
    Veel gemeenten passen de APV aan, omdat doorgaans zo’n 90% van de kapaanvragen vergund werd en gaan over op bomenlijsten of kaarten met daarop waardevolle houtopstanden. Cultuurhistorische waarden (b.v. oud hakhout op wallen) komen ook in bossen voor, die dan onder de boswet vallen. echter, vanuit de waarden beschermingswaardig, net zoals oude boomgaarden met hoogstamfruit of knotwilgen, echter uitgesloten van bescherming door de huidige Boswet. Andersom is het onbegrijpelijk dat er een limiet gesteld wordt in oppervlakten (van 5 hectare) en dat boseigenaren enerzijds verplicht waren aangesloten te zijn bij het Bosschap en anderzijds met meer regelgeving van doen hebben. Dan hebben we nog de regelgeving vanuit bestemmingsplannen die vele niet op het netvlies hebben. Een veelheid van variabele regelgeving. Allemaal samen een complexe samenhang die het voor burgers, bedrijven en overheden niet gemakkelijk maakt en niet efficient bijdraagt aan de doelstellingen. Bosbestemmingen die een andere bestemming krijgen, maar waarbij het bos niet gekapt wordt, is ook een aandachtspunt voor de toekomst.
    Naar mijn idee zal een nieuwe boswet tot stand moeten komen met het vizier op de toekomst en in nauwe samenwerking met diverse betrokkene uit het werkveld. Op dit moment hebben we een grote kans, omdat er op alle fronten ontwikkelingen aan de gang zijn. Vooral het ‘omgevingsplan’ dat de bestemmingsplannen moet gaan vervangen zou een instrument kunnen zijn waar alle doelen (dus wet- en regelgevingen) eenvoudig geintegreerd en / of vertaald kunnen worden. Overlap en complexe vervlechting van wet- en regelgeving zou voorkomen moeten worden. Informatievoorziening ten behoeve van ‘waardenontwikkeling’ zou de trend van regelsturing naar waardensturing kunnen bevorderen.
    Louis Reutelingsperger

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *