Column; Natuurwetgeving

Negen maanden Wet natuurbescherming: “All animals are equal, but some animals are (in some places) more equal than others”

Als dit magazine uitkomt is de Wet natuurbescherming ruim negen maanden in werking. Zoals te verwachten was hebben deze negen maanden niet voor elke provincie een vergelijkbaar toetsingskader opgeleverd. Dit leidt tot verwarring en mogelijk rechtsongelijkheid. In de deze column bekijken we enkele opvallende voorbeelden.

De positieve afwijzing is terug (maar niet overal)
Zoals in de vorige column al werd vermoed, was de kans reëel dat met het in werking treden van de Wet natuurbescherming de “positieve afwijzing” een comeback zou maken. En inderdaad hebben sommige provincies en de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) de oude redenering, dat met het nemen van voldoende maatregelen een overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen, weer van stal gehaald. Dit leidt tot de situatie dat wanneer iemand in Noord-Brabant een gebouw wil slopen waarin zich een kleine vleermuiskolonie bevind, deze persoon bij het aantoonbaar nemen van voldoende maatregelen geen ontheffing of Verklaring Van Geen Bedenkingen (VVGB) nodig heeft. Voor exact dezelfde situatie is bijvoorbeeld in de provincie Zuid-Holland een ontheffing (legeskosten: € 1800,-) of een VVGB nodig. Omdat de meeste wettelijke belangen die een voorwaarde zijn voor het verlenen van een ontheffing vaak niet toepasbaar zijn op de betreffende activiteit waar een ontheffing voor aan wordt gevraagd, kan provincie Zuid-Holland een ontheffing afgeven op basis van het belang “bescherming flora- en fauna”. Voorwaarde is wel dat de situatie na de ingreep voor de betrokken soorten beter is dan de situatie voor de ingreep. De kosten voor mitigatie zijn in Zuid-Holland naar verwachting dan ook hoger.

Twee bevoegde gezagen in een provincie, twee kapiteins op een schip?
Met de ingang van de Wet natuurbescherming werden de provincies in principe bevoegd gezag over de soortbescherming. Voor grote infrastructurele projecten zoals bijvoorbeeld werkzaamheden aan hoofdwegen, hoofdvaarwegen of landelijke spoorwegen blijft echter RVO het bevoegde gezag. RVO hanteert net als de provincie Noord-Brabant de redenatie dat met het nemen van voldoende maatregelen een overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Niet ondenkbaar is dat bijvoorbeeld ProRail voor het amoveren van een object met een vleermuisverblijfplaats geen ontheffing nodig heeft, maar wanneer in dezelfde provincie een vergelijkbaar object eigendom is van een gemeente deze wel ontheffing plichtig is.

Achter de dijken…
Net als onder de Flora- en faunawet geeft de Wet natuurbescherming de ruimte om sommige (vaak meer algemene) soorten voor bepaalde handelingen vrij te stellen van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Onder de Flora- en faunawet kenden we dit als de licht beschermde Tabel 1-soorten. Met het inwerking treden van de Wet natuurbescherming hebben de provincies elk hun eigen lijstje met vrijgestelde soorten en bijbehorende voorwaarden gemaakt. Op zich is dit heel logisch. Als een soort in een bepaalde provincie minder voorkomt is het begrijpelijk dat deze provincie strenger toetst dan een provincie waar deze soort veel algemener is. Ook RVO hanteert een eigen lijst met vrijstellingen. Zo ontstaat de situatie dat in de provincie Limburg werkzaamheden (waar de provincie bevoegd gezag voor is) die een effect hebben op hazelworm en levendbarende hagedis, in bepaalde perioden van het jaar zonder beperkingen kunnen worden uitgevoerd, maar moet voor de werkzaamheden langs het Julianakanaal (waar RVO bevoegd gezag voor is) voor aanvang van de werkzaamheden zelfs een compensatie gebied worden ingericht!

Hoe nu verder?
Het zal duidelijk zijn dat de huidige situatie erg onoverzichtelijk en niet wenselijk is. Ogenschijnlijk wordt er met twee maten gemeten en maakt het voor een initiatiefnemer sterk uit wie de beoordelaar is. Een aannemer die in Noord-Brabant werkt moet daar terdege rekening houden met de aanwezigheid van hazelworm, levendbarende hagedis, bunzing, wezel en hermelijn. Hij hoeft dit in Limburg niet, behalve als hij voor Prorail, TenneT, Defensie, Rijkswaterstaat of Enduris aan het werk is. Want dan moet hij wel rekening houden met hazelworm en levendbarende hagedis, maar niet met wezel, bunzing en hermelijn.

Het is wenselijk dat de verschillende provincies en RVO in ieder geval proberen om op een lijn te komen ten aanzien van het interpreteren van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, op een vergelijkbare wijze onderzoeken beoordelen en dat RVO op de terreinen waar zij bevoegd gezag is het beschermingsregime van de provincies aanhoudt.

Door: Martin van den Hoorn

Martin van den Hoorn is eigenaar van CENW|Contra-expertise Natuurwetgeving. Vanuit deze rol heeft hij geregeld te maken met wet- en regelgeving rond natuur. In deze column wordt telkens een actueel onderwerp behandeld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *