Aanhaakperikelen Wet natuurbescherming

Door: Mr. drs. M. Kaajan, Advocaat/Partner bij ENVIR Advocaten

De Wet natuurbescherming (“Wnb”) is al weer bijna een jaar geleden in werking getreden. Toch is in de praktijk merkbaar dat er nog veel vragen leven over de relatie tussen een toestemming die op grond van de Wnb is vereist en een omgevingsvergunning. Vragen die niet alleen betrekking hebben op de toepasselijke procedure of de mate van vrijheid om al dan niet te kiezen voor een koppeling tussen de Wnb-toestemming en de omgevingsvergunning; maar ook vragen over de inhoudelijke beoordeling die moet worden verricht en de rol van gemeenten hierbij. Hieronder som ik een aantal van deze vragen op, en geef ik suggesties voor een oplossingsrichting.

  1. De aanvrager van een omgevingsvergunning kiest of er een koppeling tussen de Wnb-toestemming en de omgevingsvergunning kan ontstaan. Kiest de aanvrager ervoor om voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning een losse Wnb-toestemming aan te vragen (in de vorm van een vergunning vanwege mogelijke significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of een ontheffing vanwege overtreding van de verbodsbepalingen voor soorten), dan kan er geen situatie ontstaan waarbij de Wnb nog een rol speelt bij het al dan niet kunnen verlenen van de omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag op grond van de Wabo kan zich dan volledig richten op het gebruikelijke toetsingskader voor de aangevraagde Wabo-vergunning;
  2. Als de omgevingsvergunning wordt aangevraagd voordat een toestemming op grond van de Wnb is aangevraagd, moet het Wabo-bevoegd gezag zich afvragen of een Wnb-toestemming nodig is voor de aangevraagde activiteit. Dit is van belang voor de vraag of uiteindelijk een verklaring van geen bedenkingen (“vvgb”) moet worden gevraagd aan het bevoegd gezag op grond van de Wnb. Is een vvgb nodig, dan is afd. 3.4 Awb van toepassing in plaats van de reguliere procedure; er kan, bij het doorlopen van afd. 3.4 Awb, anders dan bij de reguliere procedure, geen vergunning van rechtswege verleend worden. Om te voorkomen dat op enig moment discussie kan ontstaan over de vraag of een vergunning van rechtswege is verkregen, is het van belang dat het bevoegd gezag binnen de (reguliere) beslistermijn van acht weken in ieder geval nagaat of de aanvraag voldoende informatie bevat om vast te stellen of een vvgb noodzakelijk is, zodat de beslistermijn tijdig kan worden opgeschort indien deze informatie nog door de aanvrager moet worden aangeleverd. De volgende handvatten kunnen daarbij behulpzaam zijn:

A. Bevat de aanvraag op dit punt geen enkele informatie, dan zal het Wabo-bevoegd gezag moeten putten uit zijn eigen kennis en ervaring over de omgeving van de aangevraagde activiteit (of het soort activiteit) om vast te kunnen stellen of het relevant is de aanvrager om aanvullende informatie te verzoeken. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de effectenindicator voor soorten en voor Natura 2000-gebieden, of informatie verkregen uit binnen de gemeente uitgevoerde gebiedsinventarisaties, voor zover aanwezig, en/of van effectenindicatoren die door de provincie beschikbaar zijn gesteld. Zie voor een voorbeeld de website van de Omgevingsdienst Haaglanden. Belangrijk aandachtspunt hierbij is overigens wel de actualiteit van deze informatie.

B. Soms bevat de aanvraag wel een quick scan naar de natuurwaarden in de omgeving van de aangevraagde activiteit. Adequate lezing van deze quick scan kan dan al veel nuttige informatie opleveren over de vraag of aanvullende informatie nog nodig is. Misschien een open deur, maar als in de quick scan passages staan die erop duiden dat definitieve conclusies pas kunnen worden getrokken nadat aanvullend onderzoek is verricht, dan ligt het voor de hand om aanvullende informatie te verzoeken;

C. Het zou verder praktisch zijn als er korte lijnen met het bevoegd gezag op grond van de Wnb – veelal de provincie – bestaan, om te kunnen sparren over de vraag of voor een bepaalde activiteit een toestemming op grond van de Wnb nodig is. Voor zover deze lijnen niet al bestaan, verdient het zeker aanbeveling om hierin te investeren.

  1. Op enig moment na het ontvangen van de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden bepaald of de reguliere procedure of de openbare voorbereidingsprocedure van afd. 3.4 Awb van toepassing is. Dit gebeurt uiteraard bij voorkeur voordat de beslistermijn van de reguliere procedure afloopt. Bestaat er op dat moment nog steeds gerede twijfel over de vraag of een vvgb noodzakelijk is, dan kan het Wabo-bevoegd gezag, al dan niet na overleg met de aanvrager, besluiten om de vvgb simpelweg te vragen. Het ergste dat dan immers kan gebeuren is dat dan door het Wnb-bevoegd gezag gesteld wordt dat deze vvgb niet nodig is, met als consequentie dat ten onrechte de openbare voorbereidingsprocedure doorlopen is. Dit gebrek kan worden hersteld door achteraf bij afzonderlijk besluit de openbare voorbereidingsprocedure van toepassing te verklaren. Het tijdsverlies dat daardoor is ontstaan, wordt dan m.i. goed gemaakt door het feit dat bij de openbare voorbereidingsprocedure de bezwaarfase wordt overgeslagen.

Deze handvatten kunnen bijdragen aan een goede toepassing van de Wnb bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Heeft u zelf nog een andere praktische aanpak ontwikkeld binnen uw gemeente? Laat dan hieronder uw suggestie achter!

 

 

 

 


2 reactie op “Aanhaakperikelen Wet natuurbescherming

  1. T.a.v. punt 2c:
    Ik zou het graag willen, maar de provincie Gelderland heeft een onderbezetting en rechtstreeks contact is niet mogelijk. Alle contacten met de provincie Gelderland moeten verplicht via het Omgevingsloket. Doorkiesnummers worden niet gegeven.

    • In Brabant is het ook moeilijk om korte lijnen met de provincie te onderhouden. Veel kennis bij de provincie is verdwenen naar de omgevingsdienst. Wat rest is een digitaal loket. De omgevingsdienst op haar beurt doet uitspraken via beschikkingen (vergunning/ontheffing), vooroverleg is formeel niet mogelijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *