Kunnen gemeenten de nieuwe taak uit de Wet natuurbescherming aan?

Bron: Magazine Editie september 2014
Door: Mirjam Broekmeyer en Marlies Sanders, Alterra Wageningen UR

De rol die gemeenten spelen bij de wettelijke bescherming van plant- en diersoorten wordt steeds groter. Van oudsher zijn gemeenten beheerder van de openbare ruimte en stellen zij bestemmingsplannen op. Daarbij spelen zij een actieve rol bij het borgen van de aanwezige natuurkwaliteit door het toepassen van bestemmingen en planregels waarbij rekening moet worden gehouden met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Dat laatste houdt in dat voor alle ruimtelijke bestemmingen op voorhand duidelijk moet zijn dat een initiatiefnemer bij plannen voor handelingen en activiteiten zoals bouwen naast een omgevingsvergunning in principe ook een vergunning Natuurbeschermingswet of ontheffing Flora- en faunawet kan krijgen.

Met de invoering van de WABO is de natuurtaak van gemeenten versterkt. Sinds de WABO kunnen immers de vergunning Natuurbeschermingswet en ontheffing Flora- en faunawet aanhaken bij de Omgevingsvergunning waarvoor de gemeente bevoegd gezag is. Dit houdt in dat voor locatie gebonden ingrepen die effecten op beschermde natuur kunnen hebben, de natuuraspecten betrokken kunnen worden bij de omgevingsvergunning. Hiervoor moet de initiatiefnemer op het aanvraagformulier omgevingsvergunning het onderdeel “Handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten of gebieden” aanvinken en een natuurrapport als bijlage bij de aanvraag Omgevingsvergunning indienen. Als een van de handelingen is aangevinkt, moet een gemeente een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) aanvragen. In het geval van beschermde soorten doet een gemeente dit bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en in het geval van beschermde gebieden bij de provincie. Een Vvgb komt in het eerste geval inhoudelijk overeen met een ontheffing Flora- en faunawet en in het tweede geval met een vergunning Natuurbeschermingswet. Als er geen Vvgb kan worden verleend, omdat er bijvoorbeeld door de handeling afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van een soort, kan ook geen omgevingsvergunning worden verleend.

Een initiatiefnemers is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het doen van een volledige en juiste aanvraag omgevingsvergunning. Daartoe behoort ook het onderzoek naar eventuele gevolgen van de activiteit voor beschermde soorten of beschermde gebieden. Volgens de Memorie van Toelichting van de WABO rust op het bevoegd gezag omgevingsvergunning (de gemeente) vervolgens de verantwoordelijkheid om na te gaan of de aanvraag volledig is. Ook uit jurisprudentie volgt dit. Deze ‘volledigheidstoets’ gaat ervan uit dat wanneer de gemeente ‘redelijkerwijs’ kan weten dat uit de aanvraag handelingen voortvloeien die de flora en fauna raken, de gemeente dit meeneemt in deze toets. Het ‘redelijkerwijs weten’ kan aan de orde zijn als de gemeente als bevoegd gezag daarvoor een indicatie heeft uit bijvoorbeeld een inventarisatie van flora en fauna die werd uitgevoerd bij het opstellen van het bestemmingsplan. Ook kan de gemeente een eigen ambitie hebben voor natuur, toegang hebben tot de NDFF of zelf ecologen in dienst hebben. In concreto betekent dit dat wanneer de initiatiefnemer “Handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten of gebieden” niet heeft aangevinkt, terwijl de gemeente redelijkerwijs had kunnen weten dat de aangevraagde activiteit een negatief effect heeft op beschermde natuur, de gemeente geen Omgevingsvergunning mag verlenen. De gemeente kan dus via het bestemmingsplan, de eigen natuurambitie en een toets op volledigheid van de aanvraag een actieve rol spelen bij de bescherming van natuur.

De hierboven beschreven rol wordt met het wetsvoorstel Natuurbescherming alleen maar belangrijker. In dit wetsvoorstel wordt de aansluiting bij natuur in de omgevingsvergunning versterkt: bij omgevingsvergunningplichtige activiteiten is het aanhaken van de natuurwetgeving niet meer optioneel maar verplicht. In de praktijk betekent dit dat de volledigheidstoets het enige moment is om er voor te zorgen dat een initiatiefnemer bij ruimtelijke activiteiten vooraf rekening houdt met wettelijk beschermde natuurwaarden. Daarna resteert nog handhaving, eventueel geïnitieerd door omwonenden of milieugroepen. Bij handhaving wordt afgedwongen dat een initiatiefnemer rekening houdt met wettelijk beschermde natuurwaarden. Dit laatste is een ongewenste situatie en frustrerend voor alle betrokkenen.

Bij een aantal activiteiten uit de omgevingsvergunning is de kans op effecten op beschermde soorten groot. Denk bijvoorbeeld aan het bouwen van een dakkapel en aanwezigheid van vleermuizen, het kappen van bomen met nestelende vogels, of het bouwen van bouwwerken of aanleggen van een weg en amfibieën. Het zorgvuldig uitvoeren van een volledigheidstoets is voor een gemeente dan ook een belangrijke taak!

Niet alle gemeenten zijn voor deze vernieuwde taak klaar. Op dit moment is 75% van de gemeenten op de hoogte van de ins en outs van de volledigheidstoets. Toch controleren veel gemeenten hierop alleen als de initiatiefnemer zelf al de ‘Handelingen’ heeft aangevinkt. Veel gemeenten geven aan gebrek aan capaciteit en kennis te hebben om deze taak goed uit te voeren. Om de gemeente daarbij te ondersteunen, heeft het ministerie van Economische Zaken in het kader van het ‘Actieplan Implementatie Natuurwetgeving’ drie instrumenten laten ontwikkelen: de Routeplanner, de Effectenindicator soorten en de Maatregelenindicator soorten. Deze instrumenten geven inzicht in respectievelijk de stappen die gezet moeten worden wanneer de natuurtoets deel uitmaakt van de omgevingsvergunning, inzicht in de kans op schadelijke effecten bij activiteiten uit de omgevingsvergunning op soorten (en “Handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten of gebieden” terecht of niet is aangevinkt), en tenslotte inzicht in mogelijke mitigerende maatregelen.

Zie voor meer informatie: https://mijn.rvo.nl/verklaring-van-geen-bedenkingen/ en klik op het onderdeel “Instrumenten natuurwetgeving” voor de Routeplanner, Effectenindicator en Maatregelenindicator soorten.

Alterra Wageningen UR

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *