Belangrijke “signaleringsfunctie” gemeenten bij Wet natuurbescherming

Bron: Magazine Editie december 2015
Door: Mr. drs. M. Kaajan, Advocaat/Partner ENVIR Advocaten

Op of omstreeks 1 juli 2016 zal de Wet natuurbescherming in werking treden. De wet leidt tot inhoudelijke wijzigingen in het beschermingsregime voor met name dier- en plantensoorten, ten opzichte van de huidige Flora- en faunawet. Binnen de kaders van gebiedsbescherming liggen de wijzigingen met name op het formele vlak, en minder op de materiële, inhoudelijke bescherming van Natura 2000-gebieden.

Gemeenten zullen met de Wet natuurbescherming in de praktijk meer dan nu het geval is met gebieds- en soortenbescherming in aanraking kunnen komen. Dat komt omdat de wet voorziet in de verplichting om de natuurtoestemmingen aan te laten haken bij een omgevingsvergunning (indien deze nodig is). Nu hebben initiatiefnemers op dit punt nog de keuze om de Ffw-ontheffing en/of Nbw-vergunning vooraf apart aan te vragen. Straks kan dat dus niet meer. Deze aanhaakverplichting is overigens tijdelijk. Met de Omgevingswet wordt voorzien in een aparte omgevingsvergunning voor natuur. Deze vergunning kan tegelijkertijd met andere benodigde omgevingsvergunningen worden aangevraagd – maar kan ook los worden aangevraagd. De gekozen aanvraagsystematiek bepaalt dan wie de vergunning moet verlenen. In alle regimes blijft de feitelijke beslissingsbevoegdheid overigens bij Gedeputeerde Staten van de relevante provincie(s) liggen. Zij zullen – via een verklaring van geen bedenkingen (of, onder de Omgevingswet, advies met instemming) – uiteindelijk een inhoudelijk oordeel moeten geven over de aanvaardbaarheid van een bepaalde activiteit.

Gemeenten krijgen in de nieuwe Wet natuurbescherming daarmee met name een belangrijke signaleringsfunctie bij de vergunningverlening. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zal moeten worden nagegaan of er ook een natuurtoestemming nodig is. Hieronder een paar handvatten voor de praktijk om op dit punt zo goed mogelijk een conclusie te kunnen trekken:

  1. Leidt de aangevraagde activiteit tot een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied dat al overbelast is, ook al is deze toename erg gering, dan is de kans zeer groot dat een natuurtoestemming nodig is. Het is immers vaste jurisprudentie dat ook een zeer geringe toename van stikstofdepositie op een al overbelast Natura 2000-gebied kan leiden tot significant negatieve effecten. In dat geval bestaat er een vergunningplicht;
  2. Beoordeel de aangevraagde activiteit op zichzelf, en houdt geen rekening met eventuele maatregelen die de aanvrager vrijwillig zou willen realiseren om effecten van de aangevraagde activiteit op Natura 2000-gebieden te verminderen. Nog los van de ingewikkelde vraag of deze maatregelen als mitigatie of compensatie kunnen worden aangemerkt, mogen positieve effecten van dergelijke maatregelen pas in een vergunningprocedure meegenomen worden. En dus niet al bij de vraag of een vergunning vanwege mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden nodig is;
  3. Alleen indien maatregelen worden getroffen waardoor overtreding van de verbodsbepalingen voor de soortenbescherming niet zal (kunnen) plaatsvinden, kan voorkomen worden dat een natuurtoestemming voor soorten nodig is. Deze maatregelen worden in de praktijk ook “mitigerende maatregelen” genoemd, maar kunnen dus niet verward worden met mitigerende maatregelen in het geval van effecten op Natura 2000-gebieden;
  4. Overtreding van de verbodsbepalingen die betrekking hebben op soorten (de oude Ffw-verboden), kan al aan de orde zijn bij effecten op 1 exemplaar van een soort. De redenering dat de gunstige staat van instandhouding van een soort in dat geval, of in zijn algemeenheid, niet in het geding is, kan niet leiden tot de conclusie dat geen natuurtoestemming op dit punt nodig is. Immers, deze inhoudelijke beoordeling komt pas aan de orde bij het al dan niet verlenen van een natuurtoestemming – en niet bij de voorvraag of deze toestemming nodig is.

Deze handvatten kunnen gemeenten helpen sneller te doorgronden wanneer een natuurtoestemming nodig is, en wanneer gedeputeerde staten ingeschakeld moeten worden. Om goed voorbereid te zijn om de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming, ligt het dan ook voor de hand om de komende tijd te focussen op de ‘voorvraag’: wanneer is een (oude) Ffw-ontheffing of een (oude) Nbw-vergunning mogelijk nodig?

ENVIR Advocaten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *