Column; Natuurwetgeving

Soortmanagementplannen tegen het licht gehouden

Vleermuizen zijn door de Habitatrichtlijn en dus door de Flora- en faunawet zwaar beschermd. Gevolg hiervan is dat voor elke ingreep waarbij een functie voor vleermuizen aangetast wordt een ontheffing vereist is. Vooral bij algemeen voorkomende gebouw-bewonende soorten is dit lastig en onwenselijk. Een goede oplossing voor dit probleem lijkt het Soortmanagementplan (SMP). Door Alterra is onlangs een van de eerste SMP’s beoordeeld op het voldoen aan de eisen van de Habitatrichtlijn.

De functie van een SMP
Een SMP dient als ecologische onderbouwing voor de aanvraag van een gebiedsgerichte ontheffing onder de huidige Flora- en faunawet artikel 75c. In een SMP worden op een grootschalig gebiedsniveau maatregelen beschreven waarmee een soort beschermd wordt in het plangebied. Ook worden in een SMP de voorziene ruimtelijke ontwikkelingen binnen dat gebiedsniveau beschreven. Een gebiedsgerichte ontheffing wordt voor dezelfde periode afgegeven als de geldigheid van een SMP. Op deze wijze kunnen voor meerdere jaren ruimtelijke ontwikkelingen in een plangebied worden toegestaan, zonder dat de effecten van de ontwikkelingen op beschermde soorten op het moment van uitvoering ieder apart getoetst hoeven te worden. Het SMP dat hier besproken wordt is het SMP voor de gewone dwergvleermuis.

De gewone dwergvleermuis
De gewone dwergvleermuis is de meest voorkomende vleermuissoort in Nederland en is voor zijn voortbestaan in Nederland geheel afhankelijk van gebouwen. In de zomer vormen vrouwtjes een kraamkolonie van enkele tientallen tot honderden dieren die verspreid over meerdere kraamverblijven hun jongen grootbrengen. De mannetjes en niet voortplantende vrouwtjes verblijven in verblijfplaatsen van een tot een tiental dieren. In de winter splitst een kraamkolonie zich op en verdeelt zich (met de leden van andere kraamkolonies) over diverse winterverblijven.

Kern van de Habitatrichtlijn; Gunstige staat van instandhouding (gsi)
Het basisidee van de Habitatrichtlijn is dat voor de betrokken soorten een gunstige staat van instandhouding wordt nagestreefd. Kort door de bocht komt het er op neer dat een populatie duurzaam moet voorkomen. Een lokale populatie gewone dwergvleermuizen wordt als duurzaam beschouwd als er sprake is van minimaal 100 paartjes verspreid over minimaal 5 kraamverblijven met een maximale afstand van 2 kilometer. Lokale populaties maken weer deel uit van een netwerk. Van een duurzame netwerkpopulatie is sprake als de populatiegrootte bestaat uit minimaal 500 paartjes en er 20 geschikte kraamverblijven zijn. Deze locaties moeten in verbinding liggen met elkaar over een maximale afstand van 30 km.

SMP Tilburg; Duurzame populatie?
In 2013 is de Oude stad van Tilburg onderzocht op vleermuizen. Op basis van de gevonden kraamverblijven kunnen drie lokale populaties van de gewone dwergvleermuis worden onderscheiden in Tilburg. De grootste lokale populatie voldoet met 195 dieren en 3 kraamverblijven niet aan de norm voor een sleutelpopulatie (100 paar en minimaal 5 kraamverblijven). Ook met de waarnemingen van minimaal 313 individuen verspreid over 6 kraamverblijven in de stad liggen de getallen op basis van waarnemingen onder de aanbevolen norm voor een duurzame netwerkpopulatie van 500 paar met minimaal 20 kraamverblijven. Toch komt Alterra tot de conclusie dat er sprake is van een lokale populatie met een gunstige staat van instandhouding. Voor het onderzoek wordt aangenomen dat slechts een klein deel van de daadwerkelijke populatie is geteld en dat de totale populatie in het onderzoeksgebied tussen de 2000 en 3500 exemplaren bedraagt.

SMP Tilburg; Gsi gegarandeerd?
Het SMP beschrijft met name preventieve, mitigerende en compenserende maatregelen bij ingrepen in gebouwen en beoogt zowel het aantal (potentiële) kraamverblijven als de populatiegrootte minimaal gelijk te houden. Alhoewel het SMP ook ingaat op het instandhouden en verbeteren van verbindingen naar water- en bosrijke foerageergebieden in en net buiten de stad en het instandhouden en verbeteren van de foerageermogelijkheden in de stad, reikt het SMP formeel niet verder dan ingrepen aan gebouwen. Daarnaast geeft het onderzoek nog onvoldoende inzicht in voor vleermuizen belangrijke foerageergebieden en vliegroutes. Hierdoor is het voorkomen van de aantasting van de functionaliteit van verblijfplaatsen door ingrepen in de groenstructuren waarschijnlijk onvoldoende geborgd.

SMP Tilburg; Monitoring
Omdat van een deel van de voorgestelde maatregelen onvoldoende duidelijk is of ze daadwerkelijk functioneel zijn is monitoring voorgesteld. Met deze monitoring kan de populatiegrootte in de gaten worden gehouden en wordt de kennis over verspreiding van de soorten en de effectiviteit en werking van de maatregelen vergroot. Monitoring kan dan ook het gebrek aan kennis over inzicht in voor vleermuizen belangrijke foerageergebieden en vliegroutes verkleinen.

SMP Tilburg; Is een ontheffing mogelijk?
Alterra concludeert dat de genoemde maatregelen specifiek zijn gericht op het behoud en de verbetering van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, zodat de soort zich ook op lange termijn op de locaties kan handhaven. Ruimtelijke ingrepen in combinatie met maatregelen zullen er volgens Alterra niet toe leiden dat het natuurlijke verspreidingsgebied afneemt. Alterra is wel van mening dat deze conclusie ten aanzien van foerageergebieden en vliegroutes als onderdelen van het functionele leefgebied niet eenduidig te trekken is, maar dat er aanwijzingen zijn dat deze nu voldoende aanwezig zijn. Met de aanvulling van de monitoring van de maatregelen is volgens Alterra de conclusie evenwel gerechtvaardigd dat de gegevens over de huidige populatie in het onderzoeksgebied en de voorgestelde maatregelen, voldoende zijn om te voorkomen dat er afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de soort in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

SMP Tilburg; Conclusie
De SMP voor gewone dwergvleermuizen in Tilburg lijkt een afdoende methode om een gebiedsgerichte ontheffing voor deze soort te verkrijgen. Voor een SMP is niet alleen de aanwezigheid van verblijfplaatsen van belang, maar ook een goed inzicht in de voor deze verblijfplaatsen essentiële structuren zoals foerageergebieden en vliegroutes. Monitoring moet meer duidelijkheid geven in onder andere effectiviteit en werking van maatregelen. Dit is iets waar ook andere SMP’s op kunnen meeliften.

Literatuur
Broekmeyer, M.E.A., M.H.C. van Adrichem, R. Pouwels en R. Jochem, 2015. Soortmanagementplannenen de Habitatrichtlijn; Ruimtelijke onderbouwing duurzaamheid populaties Gewone dwergvleermuis.Wageningen, Alterra Wageningen UR (University & Research centre), Alterra-rapport 2608. 46 blz.;8 fig.; 5 tab.; 29 ref.

Korsten, E., G.J. Brandjes en F.L.A. Brekelmans, 2014. Vleermuizen, gierzwaluw en huismus Oude Stad Tilburg. Inventarisatie 2013. Bureau Waardenburg, Culemborg.

Door: Martin van den Hoorn, Regelink Ecologie & Landschap

Martin van den Hoorn is werkzaam als adviseur ecologie bij Regelink Ecologie & Landschap en eigenaar van CENW l Contra-expertise Natuurwetgeving. Vanuit deze functies heeft hij dagelijks te maken met wet- en regelgeving rond natuur. In deze rubriek wordt telkens een actueel onderwerp behandeld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *